Hoe heet Schaijk met carnaval?

Schaijk heet met carnaval Moesland, maar hoe is dat nou zo gekomen? We gaan terug in de tijd, terug naar het oprichtingsjaar van het Moeslands carnaval in 1958.

Hoe was het ook alweer?

Onder dit motto zijn een aantal Schaijkenaren, mannen van het eerste carnavalsuur, bijeen geweest om in hun herinneringen te graven. Het navolgende verhaal is tot stand gekomen uit gegevens die in een spontane discussie naar voren zijn gekomen. Geheel voor de vuist weg is naar elkaar toe uitgesproken wat van de eerste periode nog in de geheugens aanwezig was. Of alle feiten statistisch bewezen kunnen worden, zal een open vraag blijven omdat uit het verleden niets op schrift is gesteld. Slechts foto’s uit de voorbije periode getuigen van wat toen gebeurde. Ondanks dat mag de lezer echter de zekerheid hebben dat enthousiaste vertellers in nauwkeurigheid en vergelijkbaarheid van hun verhalen nauwelijks van elkaar afweken. Hoe was het ook alweer?

Hoofdzakelijk zijn aan het woord Ad van Dorst, Jan Kops, Toon en Ties v.d. Heijden en oud-burgemeester, ereburger van schaijk, Gerrit v.d. Ven.
Ad en Jan hadden in die tijd de gewoonte op vastenavond maandag naar Oeteldonk te gaan om daar te genieten van de grote optocht en het Oetelfeest. Dat deden zij ook in het jaar 1958. Marinus van Dorst (z.g.) eigenaar van een gelijknamige herberg, gaf zijn zoon, kastelein in spé, de opdracht niet te laat thuis te komen van Den Bosch omdat hij ’s avonds nogal wat volk in zijn café verwachtte. Ad en Jan togen naar Den Bosch om na enige uren met gemengde gevoelens naar Schaijk terug te keren.

Een en al kleur en beweging

Enerzijds hadden zij nog wat langer willen blijven, het was er gezellig, anderzijds vonden ze het toch maar “stads” toegaan, nee, geef ons Schaijk maar. Thuis in de herberg aangekomen, bleek het niet zo heel druk te zijn en dat van Ad en Jan de gelegenheid wat na te praten over de Bossche optocht. Samen kwamen ze tot de slotsom dat iets dergelijks in Schaijk ook mogelijk moest zijn. Met deze conclusie nog in het achterhoofd werd de idee en een Schaijkse carnaval en optocht, hoe merkwaardig, tijdens de kermis van 1958 nader uitgewerkt. Het resultaat hiervan was dat de vriendenkring van Ad en Jan en Piet v.d. Heijden de eerste Schaijkse carnavalsclub “De Moesstempels” hebben opgericht. Velen zijn daarna betrokken bij de verdere opbouw van het carnavalsgebeuren.
In het café van Van Dorst is daarna meermalen de idee van een eigen optocht besproken. Met veel liefhebberij en enthousiasme is menig uur besteed aan het uitwerken van de ideeën, die als rijpe appelen over de tafel gingen.

Nogal wat stamgasten, maar ook anderen werden met de ideeën geconfronteerd; de reacties waren zeer uiteenlopend, variërend van grote steun tot terughoudenheid. Openbaar carnaval sprak sommigen aan, anderen weer niet. Openbaar carnaval hoorde in die tijd eigenlijk niet op een dorp, dat was iets voor de stad. Alleen in Den Bosch en Bergen op Zoom werd in die tijd openbaar carnaval gehouden. Voor de initiatiefnemers was de idee echter niet meer kapot te krijgen, fantastische verhalen verschenen in de regionale kranten: De Sirene en de Gelderlander. Met behulp van een goeie borrel en een flink glas bier schreven de plaatselijke correspondenten ongelooflijke verhalen. De elkaar beconcurrerende redacties verzonnen de meest sprekende krantenkoppen.

Carnaval Schaijk was gestart, de trein was op rails gezet. De kranten schreven dat, als men nog lid wilde worden van de nieuwe carnavalsclub, men dit zeer spoedig op moest geven, daar een ledenstop werd overwogen. De realiteit was dat nog maar een paar mensen zich hadden opgegeven als lid. Het benaderen van kandidaten voor de Raad van Elf gaf de nodige hoofdbrekens, de jeugdige en moedige initiatiefnemers gingen om advies bij hun vaders, meestal stamgasten van de herberg. Men bewerkte de vader als volgt: De zoon vroeg aan vader of hij lid wilde worden van de Raad van Elf, dat kon hij gerust doen, want de vader van zijn vriend had al ja gezegd. Zo werden een aantal goedwillende vaders in het carnavalsgebeuren getrokken. Hoe men dit achteraf ook mag vinden, het heeft uitstekend gewerkt en daar was het om begonnen, men moest slagen. Na veel ploeteren werden op deze manier 16 mensen bereid gevonden om lid te worden van de Raad van Elf. Men dacht, laten we maar genoeg mensen vragen om mee te doen, dan blijven er uiteindelijk toch nog wel 11 mensen over. Dat de werving niet zo vlot verliep, was niet zo verwonderlijk. Het initiatief was zeer nieuw voor Schaijk en om zomaar in het openbaar op een platte wagen te gaan zitten voor het oog van het kerkvolk, dat was niet niks, daar had je moed voor nodig.

Eerste prins carnaval

Voor mensen die niet moedig waren, werd al snel een probaat middel aangevoerd; de fles met spiritualiën gaf vaak uitkomst. Uiteindelijk is het gelukt voldoende kandidaten te strikken en alras werd ook de eerste Prins Carnaval van het Moeszakkenrijk gevonden in de persoon van Piet van Ties v.d. Heijden. Hij werd gevraagd om zijn vrolijkheid, zijn onvervalste Schaijkse afkomst en vooral ook om zijn enthousiasme voor het carnavalsgebeuren. Piet durfde wel, ook al wist hij op geen uur na wat van hem verwacht werd en wat hij moest doen en zeggen. Hierover werd echter niet veel drukte gemaakt, men was door het dolle heen, môi kei gek!

Mekka op carnavalsgebied

Schaijk zou een carnavalsfeest tegemoet gaan, zo mooi en groots dat Den Bosch, het Mekka op carnavalsgebied, erbij zou verbleken. De leuze was: wat ze in Den Bosch kunnen, kunnen wij ook, maar dan nog veel beter. Zo zelfs dat de mensen uit Den Bosch naar Schaijk komen om carnaval te vieren. In hun enthousiasme lieten de organisatoren in de krant opnemen, dat vanuit Nijmegen en Den Bosch elk uur een bus zou rijden naar Schaijk; dit klopte ook omdat de Zuid-Ooster hierin al jaren voorzag. Alles was nagenoeg rond om de eerste optocht in Schaijk van start te laten gaan toen zich donkere wolken boven “het gebeuren” samenpakten. Men had zich bij al hun ijver, werken en praten niet gerealiseerd dat de kerkelijke en gemeentelijke overheid nog het een en ander in petto hadden. Geheel bij de toenmalige tijd behorende, werd het veertig-uren- gebed gehouden, in al zijn ernst en omvang. Daar werd in de godsvruchtige parochie Schaijk alle aandacht aan besteed, daar- in vanzelfsprekend voorgegaan door de toenmalige parochieherder. Hoe konden de beminde gelovigen, zo vroeg hij zich af, er toe komen aan een dergelijk profaan gebeuren – als het vieren van carnaval – deel te nemen terwijl het veertig-uren-gebed in volle gang was. De pastoor had sowieso al problemen met carnavalsdagen, daarbij nog een openbare optocht van zotternij, nee, dat ging hem wel te ver. Na veel gepraat over en weer, tussen pastoor en de organisatoren, met behulp zelfs van het toenmalige college van Burgemeester en wethouders en een kerkmeester, heeft de pastoor er uiteindelijk, nog steeds met tegenzin, erin toegestemd de optocht te laten vertrekken, wel pas na het einde van het veertig-uren-gebed. Dit had tot gevolg dat de optocht pas om 17.00 uur kon plaatsvinden; hierdoor kon het trajekt slechts kort zijn omdat anders de hele happening in het duister moest plaatsvinden. Dit was zowel voor de deelnemers als voor het publiek niet erg aantrekkelijk.

De gemeentelijke overheid kwam met problemen van geheel andere aard. De toenmalige burgemeester moest in de krant lezen wat men van plan was. Als hoofd van de plaatselijke politie heeft hij o.a. tot taak handhaving der openbare orde en veiligheid. Tengevolge van die verantwoordelijkheid, ontbood hij de jonge heren op het gemeentehuis om een en ander eens nader te bespreken. Met lood in de schoenen en bevreesd dat de hele
onderneming, niet zou doorgaan, toog een klein gezelschap naar het gemeentehuis. De burgemeester ontving de delegatie allervriendelijkst en gaf te kennen dat hij wel positief stond ten aanzien van een carnavalsfestijn en een openbare optocht, doch, de openbare orde en de algemene politieverordening eiste nu eenmaal dat vergunningen moesten worden aangevraagd.

Met een handvol goede adviezen en een positieve benadering door de burgemeester ging men dolgelukkig huiswaarts,; nu kon de optocht niet meer kapot. Toch waren ze allemaal kei gek, aldus onze vertellers. Met opgestoken veren werd de laatste hand gelegd aan de voorbereidingen. Een open rijtuig werd via bevriende relaties op de kop getikt. Kostuums werden gehuurd en het spel kon beginnen. de eerste provisorische hofkapel werd samengesteld. De nodige vergunningen waren inmiddels aangevraagd en verkregen. Iedereen en alles stond op scherp, als nu de weergoden nog meewerkten, en dat deden ze, het grote moment was gekomen. Prins Rababbelzak I trok, staande op een open wagen, omgeven door fraai uitgedoste carnavalsvierders, naar het centrum van Schaijk, gevolgd door de Raad van Elf en nog wat ander ongeregeld en ongeorganiseerd goed.

Intussen is het schemerdonker en enkele fakkeldragers zorgen voor voldoende veiligheid en enige verlichting. Het onwennige publiek keek met vreemde ogen naar het voorbijtrekkende gekkenspul; in de zaal van het parochiehuis wachtte een grote menigte mensen op de dingen die gingen gebeuren. Prins Rababbelzak den Urste werd in een kinderwagen, met van die hoge wielen, de zaal ingereden en met man en macht op het podium gehesen. Op het podium staan 16 leden van de Raad van Elf. Het hele stel staat daar onwennig en aarzelend. De Prins wordt toegesproken door de burgemeester. De Prins krijgt het ambtsketen omgehangen, samengesteld uit het beste Boeremoes wat er op dat moment was. Daar staat hij dan de eerste Prins Carnaval van Schaijk, niet goed wetend wat hij moet zeggen of wat van hem nu verwacht wordt. Hij werd echter van achter de coulissen geholpen door de onvolprezen dokter Antoon Langendijk z.g. (later één van de grote mannen achter het Schaijkse carnaval).

Prins Tito de Rabbabelzak I

Wat de eerste Prins wel kon en wat later nooit meer is herhaald: hij gaf aan alle aanwezigen een rondje. Hij kon dit doen omdat met de kastelein was afgesproken dat op vertoon van het entreekaartje een consumptie zou worden verstrekt.
Zo is al ontdekkende lerende en bijsturende het carnavalsgebeuren ontstaan. Na het eerst jaar is de organisatie van het openbaar bestuur in handen van de Raad van Elf overgegaan en trokken de Moesstempels zich terug om in eigen kring verder te gaan.

Zowel de kerkelijke leiders als het gemeentebestuur zijn in toenemende mate bereid geweest het carnavalsgebeuren als iets “normaals” te gaan beschouwen. Door het gemeentebestuur omdat, aldus de toenmalige burgemeester, in de Raad van Elf zoveel mogelijk lagen van de bevolking werden opgenomen en omdat die Raad van Elf bestond uit evenwichtige en vertrouwenwekkende mensen. Van de zijde van de kerk werd de bestemming milder omdat, aldus onze woordvoerders, tijdens de carnavalsdagen iedereen werd opgeroepen om op aswoensdag massaal een askruisje te gaan halen. Daaraan werd gevolg gegeven wat als gevolg had dat er op grote schaal het askruisje werd gehaald. Zo werd zowel het carnavalsfeest als aswoensdag een succes. In de loop van de volgende jaren is het aantal clubs gestadig gegroeid.

De toenemende kwaliteit van de optocht zorgde ervoor dat de Schaijkse optocht is uitgegroeid tot een streekoptocht die niet meer weg te denken is. De vele persberichten, reportages en foto’s getuigen hiervan.
De eerste enthousiastelingen hebben nooit kunnen dromen dat uit de hele omtrek van Schaijk duizenden per jaar naar Schaijk komen om de folkloristische optocht te kunnen aanschouwen. Schaijks carnaval is uitgegroeid tot een groots gebeuren en in dit opzicht is de doelstelling van de mensen van het eerste uur gehaald. Jaarlijks vindt een kreatieve en sportieve krachtmeting plaats tussen de clubs in de grote Moes-optocht. Gedurende vijf dolle dagen zijn de feestzalen gevuld met blije feestende mensen, die in harmonie samen zijn. Op deze wijze draagt dat eerste initiatief bij tot een feestend samengaan van vele Schaijkenaren en gasten. Carnaval is op die manier een bindend element in onze leefgemeenschap.
Initiatiefnemers bedankt!!!

De optocht en de clubs

De oorspronkelijke organisatie van het Carnavalsgebeuren was vrij primitief. Dat was niet zo verwonderlijk, immers in de hele regio was nergens een optocht. De enige grote optocht was in Den Bosch en velen gingen daar kijken. Dat was dan tevens ook de aanzet om in Schaijk een optocht te
organiseren. De fundering werd gelegd in een café aan de Rijksweg.

Met slechts enkele personen werd de eerste carnavalsclub van Schaijk gevormd, die de toepasselijke naam zou krijgen van “De Moesstempels”. Het was voor deze jonge club een moeilijke start. Zij nam contact op met het “Comité Schaijk Vooruit” dat onder leiding van Dokter Langendijk z.g.. op haar beurt. alle steun toezegde. Zo werd de eerste Schaijkse carnavalswagen gebouwd. Het grote nieuws ging als een lopend vuurtje door het dorp en ook de krant kreeg er lucht van. De burgemeester kreeg er ook lucht van en een van de Moesstempels werd op het gemeentehuis ontboden. Met grote schrik dacht hij: “Dat is afgelopen met onze plannen”, maar tot grote verbazing keurde de burgemeester het niet alleen goed, maar werden zij aangezet hun werk door te zetten met alle steun van bovenaf. Nog waren niet alle »moeilijkheden overwonnen. Het van oudsher veertigurengebed was nog altijd een “sta-in-de-weg” in ons dorp. Daardoor moest de eerste optocht dan ook ’s avonds gehouden worden.

Moesstempels, Oelewappers en Smeleplukkers

Hoe moeilijk dan ook, het ging allemaal door en eindelijk was de tijd daar, dat de eerste wagens door het dorp trokken. Het is bijna niet te geloven maar heel Schaijk was uitgelopen tot genoegen van de organiserende mensen, en…. de kasteleins. Nu het ijs gebroken was, werd er nog lang over nagepraat, en er werden meteen nieuwe plannen gemaakt voor het volgend jaar. Van alle kanten kwamen de aanmeldingen binnen en zo kon het gebeuren dat in 1960 zeven clubs met hun wagens door het dorp trokken, nu op carnavalsmaandag in de middag. Naast de Moesstempels nu ook de Oelewappers, de Smeleplukkers, de Achterblijvers en nog enkele anderen die geen naam hadden gekozen.

De tweede optocht van Schaijk was voor die tijd grandioos. Alles zat mee, stralend weer en er was dolle vreugde. Wat was het een prachtig schouwspel, de precies nagebouwde “Sancta Maria”, met haar muiters. Het was een schip van grote afmetingen, die zich langzaam voort bewoog door de Past. van Winkelstraat, aangedreven door een zware diesel-motor. Rustig pufte hij zijn rookwolken de ruimte in. Boven op het dek stond de statige figuur geheel in het wit, de Kapitein, omringd door de muiters en muiteressen. Iedereen die het zag* werd er stil van; nog nooit hadden ze zoiets moois gezien.

Aftellen tot de optocht

00
Dagen
00
Uren
00
Minuten
00
Seconden
Ut is zoweit!
loader-image
Weer in Moesland
temperature icon 7°C